
|
Terwijl ons vader nog wat vlees van den “epsenkneut” trachtte te “figgelen” zei hij tegen moeder “ ’t wordt tijd dan we gaan slachten, dienen kneut is goe veur ertesoepe van te koken”. Dit betekende dat ons gebrast varken ten dode was opgeschreven ten behoeve van ons allen. “Ge moet (ver)Plancke nog vragen wanneer hij kan komen om te slachten terwijl dak geen prutsen heb” zei ons moeder. “Nie te lange wachten want der zullen der nog opgeschreven staan”. Dit betekende dat ons vader nog die week naar den Bovenhoek moest rijden om te vragen wanneer Maurice Plancke tijd zou hebben om een varken dood en uit de kant te doen. Van die prutsen daar kenden wij niets van. Ons moeder zei soms “maakt dadde weg zijt prutsen”. Dat was dan op ons bedoeld, toen dachten wij dat wij er voor iets tussen zaten als er niet kon geslacht worden. Later hebben wij de combinatie gevonden van het woord prutsen en maandstonden. |
|
|
Ja, dat vlees van bij de slager in de straat was niet te vergelijken met het vlees van een zelf gebrast varken. De smaak en de kostprijs waren doorslaggevend om al dat werk te doen om een varken vet te mesten. “ ‘k Zal vragen om tussen Kerstdag en Nieuwjaar te slachten dan moet ik geen verlet nemen op mijn werk” zei ons vader. Zo konden wij ook van die moordpartij genieten !! In de loop van de volgende dagen werden de laatste “ribbekens” uit de pekelbak gehaald en te zoeten gezet om er soep van te koken. De pekel werd in een emmer geschept en zou dienen om de sneeuw in de komende winterdagen te doen smelten. De grote verzinkte ketel samen met enkele ijzeren waskuipen werden geschrobd kwestie van niet alles op het laatste moment te moeten doen. Het werk wat verdelen was de boodschap. Verschillende kommen en teilen werden uit de kelder gehaald samen met de kapbak om de kop in te doen. Al die werkzaamheden werden door ons allen gevolgd, want nieuwsgierig, dat waren wij. Het laatste smout werd uit de zinken emmer geschraapt en kon nog dienen om bonen klaar te maken. |
|
“Waar is den beschuut” zei de slachter tegen ons moeder. “Smijt er maar nen pak of twee in en zet het in de kelder veur als we bloeworsten moeten maken”. Zo werd het eerste eetbaar product van ons varken in huis gebracht. De slachter deed zijn moordwapen aan de kant en schudde met een riek het stro wat op en kuiste de bloedplek aan de steekwonde af met stro. Het varken werd op zijn poten gezet zodat zijn buik op de grond steunde. Nogmaals werd het stro opgeschud en nu kon het vuur maken beginnen. De vuurgensters sloegen een lichtspektakel in de donkere ochtend en zo werd ons varken , beginnende aan de kop , door het vuur ontdaan van zijn “verkenshaar”. Vervolgens werd het beest op zijn zijde gelegd en werd en de buik en alle verdoken en behaarde plaatsen ontdaan van zijn stekelhaar. Ik hoorde mijn moeder in die tijd nog zeggen tegen mij “get juust verkenshaar” dit betekende dat mijn haar wit was en recht stond. Gelukkig hebben zij nooit mijn haar gesneden met vuur. Het laatste stro werd samengerakeld en diende om de laatste restjes van het haar af te branden. |
|
|
Daar lag ons varken op zijn zijde. Met een straatvager werden de verschroeide haren en de brandresten afgeborsteld en kon het fijne werk beginnen. Het was tegen het vriespunt en wat te koud om met regenwater het varken af te gieten om het te schrapen. Ondertussen hadden wij reeds op het “ferneis”een ketel water opgewarmd om de grootste kilte uit het water te halen dat moest dienen om het varken af te gieten. De zon begon op te komen terwijl wij daar stonden met een kleine steelpan in de hand gevuld met lauw water. “Ge moet gieten waar mijn handen zijn” zei de slachter terwijl hij met zwierige bewegingen van een groot mes het vel van het varken schoon schrobde. De koude deed ons wat rillen maar het varkenslijf gaf nog wat warmte af en ook de geur van dit spektakel deed ons genieten van dat alles. Nadat de ene zijde was geschrobd werd het varken, met de geschrobde zijde naar onder, op een ladder gelegd, zo kon men de andere kant schrobben. Als laatste werd het varken op zijn rug gelegd met de poten omhoog. |
|
|
“Kijk nu ga ik hem zijn schoenen uitdoen” zei de slachter terwijl hij een wrong gaf aan de hoeven van het varken. En werkelijk er kwam een soort vel van die poten en zijn tenen waren wit. “Goe gieten terwijl ik aan de poten an ’t schrepen ben ze moeten dienen voor in den utsenpot” was het volgende commando van de slachter. Zeker doen klonk het in onze gedachten want met zo een groot mes zou hij ook wel eens onze oren kunnen afsnijden, dachten wij, terwijl hij de oren van het varken aan het opkuisen was. “Moede zijnen snoet nie hebben” zei hij terwijl hij een dun schelleken afsneed van de verbrande snuit van het varken. Ons beest zag er heel wat properder uit. Zo schoon hadden wij ons varken nog nooit gezien. |
|
|
Nu werden de achillespezen van de achterpoten zichtbaar gemaakt om daarachter een stok te kunnen steken waaraan het varken werd opgehangen aan de ladder. De buik werd gedeeltelijk aan de achterzijde open gesneden. Zo kon men de achterhespen beter aandrukken tegen de stok en de ladder om zo vast te maken. Het gat van het varken, langs waar de stront kwam, werd losgesneden en gedeeltelijk buiten de buik gehangen. Een vieze bedoening als ge het mij vraagt, maar ja zo hoorde het eenmaal. Nu was men klaar om de ladder recht te zetten. Mijn vader en de slachter zetten de ladder recht. Vervolgens nam de slachter de ladder op de rug en sleepte het varken met ladder en al tot tegen de muur van de stal. Daar hing het lang uitgestrekt en dampend in de ochtendzon. En wij maar in de weg lopen, maar ja als wij er niet bij zouden geweest zijn dan zou er zeker niet kunnen geslacht worden, dachten wij. |
|
De bloedresten en bloedklonters drupten nog uit de varkenskop terwijl de slachter de kop in twee spleet met een grote bijl. Een vies spektakel, maar ja dat hoorde erbij. De nieren en nog wat andere, voor ons vreemde en aardige stukken vlees, werden uit het binnenlijf van het varken gesneden. Onder die, voor ons, onbekende stukken was den “pezerik”. Zo iets gelijk een dikke koorde met daaraan een stuk vet. “Moede da nie hebben ’t is veur de zaag mee in te smeren dat ze nie roest of moek ze aan den haak in de muur knopen veur de mezen dezen winter” ondertussen had de slachter dat vettig geval reeds aan een den groten haak, waaraan de wasdraad was vastgemaakt, geknoopt ten behoeven van de vogels tijdens deze winter. Nu werd andermaal de grote bijl bovengehaald om het varken in twee te kappen. Met een precisie, de slachter eigen, kapte hij het varken juist in de rug in twee stukken. |
|
|
“Geef ne keer een tasse dat ik er het verkensverstand kan in doen” riep de slachter tegen ons moeder. Met zijn vingers haalde hij de hersenen uit de gespleten kop en trok hij het ruggenmerg uit de open gekapte rug.. “Alst er zijn die nie goe leren geeft ulder maar dat verstand, ’t zal wel beteren” riep hij nog naar ons. Toch dat verstand van het varken was een delicatesse voor ons moeder, dat wisten wij al van vroegere huisslachtingen. Met water werden de laatste zichtbare bloedklonters uit de opengekapte kop weggespoeld vooraleer de slachter met een groot mes de kop van het varkenslijf sneed. “Moede soms geen oren hebben” vroeg de slachter aan ons, “uw moeder zegt dadde soms nie goe luistert”. Ondertussen sneed hij de varkensoren van de halve koppen en smeet ze in de kuip met water waar reeds de andere onderdelen van het varken lagen. In de kop werden verschillende inkervingen gemaakt en zo ging die ook de kuip met water in. “Kom spoel den kop maar goe af, ge moeter nie schaai van zijn, hij zal nie meer bijten” waren de volgende commando’s van de slachter naar ons toe. “Als ze goed gespoeld zijn smijt dan moar al die stukken in de ketel op het ferneis zodat hij zochte kan worden, moar laat hem nie aanbranden of ik zitte achter hulder”. Hiermede was een punt gezet achter de eerste werkzaamheden bij het slachten van ons varken. |
|
“Ke zal ne keer goan voelen of da de kop al zocht is se” zei de slachter en stapte naar de stal waar het één vochtige en warme bedoening was. Alles werd zocht bevonden, ook het klein stukje lever dat hij er op het laatst had bij gehangen en dat zou opgegeten worden bij de boterham. Dit stukje werd direct in een emmer koud water gesmeten om mooi te zijn en niet uit te drogen. Met een visspaan werd de gekookte kop in een kleine kuip geschept. “Moede nie wat nieuwe tanden hebben “ zei de slachter tegen ons . Die had opgemerkt dat er enkele van ons “petjen schaartand”waren door het uitvallen van onze melktanden. Ondertussen haalde hij de kaakbenen met tanden uit de gekookte kop. Ook de ogen werden uit de karkassen gehaald en weggesmeten voor de katten. “Moeder hoeveel keelstuk moede gij hebben anders steek ik het allemaal in de hoofflakke” riep de slachter. Ondertussen kwam ons moeder aan mee een grote diepe “tellore”. “Legt er moar een stuk op maar nie teveel vet bij en ook de verkenstong” zei ons moeder. Dat was iets dat wij allemaal lustten. Doch op het volgende waren wij niet zo tuk toen de slachter vroeg “ hoeveel vetsoppe wilde gij hebben, bring mij moar een grote kastrolle”. Het vlees voor de “hoofsflakke” werd in de kapbak gelegd en met een speciaal kapmes fijn gekapt. De kraakbenen van de oren werden ook naar de afval verwezen. Peper, zout en muskaatnoot mochten die boel op smaak brengen en wij mochten voor de eerste maal proeven. Smaken deed het zeker; later zouden wij dat bekopen met een overlaste maag maar op zulke ogenblikken denkt men daar niet aan. De klaargezette vlaaienkommen werden gevuld en naar de kelder gedragen. De tweede buit was binnen. Nu kon het echte snijwerk beginnen. |
|
Deskundig werden de voorhespen van het varkenslijf gesneden, opgekuist en vormgegeven door de slachter. “ Tis nie te vet, ge kunt al zien aan de veurepse” zei de slachter. Eén van die hespen werd in stukken gesneden om later gebakken te worden en te steriliseren. De snijlingen deponeerde men in een emmer om worsten van te maken. Het grootste gedeelte van het vet legde men samen om te smelten tot smout. Al het afgewerkt vlees droeg men in de kelder waar het later op de dag zou gezouten worden of moest wachten om te steriliseren. Nu kwam men aan de buik van het varken. Grote lappen vlees met vet werden op de tafel gesmeten en verwerkt. Eerst haalde de slachter de filet en het stuk waarvan men koteletten moest snijden en kappen er uit. Ook de “ast” die moest gezouten worden werd aan de kant gelegd. De ribben en ook het overtollige vet vond zijn weg naar verschillende emmers. Alleen een paar kleine stukken spek moesten bewaard worden en zouden samen met het buikstuk en de “ribbekens” in de pekel gestoken worden. Weldra hingen nog alleen de twee achterhespen met de “verkenskodde” (staart) aan de ladder. “Snij nen keer die pezen door “ riep de slachter naar ons vader terwijl hij die hesp ondersteunde. De laatste grote stukken vlees smeet men op de tafel om te versnijden. Met al de macht, en dat was niet weinig, duwde de slachter het bloed uit de hoofdader van de hesp. Dit was een secuur werkje, als dat niet goed gebeurde kon de hesp niet bewaard worden en zou zij uiteindelijk rotten. De poten, die open gekapt waren, en de staart die waren speciaal voor ons moeder. Die zouden gezouten worden en moesten dienen om later “Wabeeksen hutsepot” van te koken. De “korteletten en de krammenaaien” vlees kapte men in schone plakken. Deze moesten binnen de vierentwintig uur gedeeltelijk voorgebakken te worden om ’s anderendaags te steriliseren in hun eigen sop. |
|
|
Wat nu nog overbleef waren emmers en kuipen met stukken vlees en vet. Nu kwam er werkelijk werk voor ons, draaien aan de vleesmolen. De zwoerden werden van het vet gesneden en bij de afval gedeponeerd. Het was de bedoeling zoveel mogelijk het magere vlees nog van tussen de vetlagen te halen. Dat beetje mager vlees smeet men bij de rest van het vlees waarvan men worsten wilde maken. Wij mochten dus aan de vleesmolen draaien. Eerst het vet want dat moest nog gesmolten worden. Daar viel niet veel aan te proeven, maar wat zou volgen daar konden wij niet afblijven. De ketel op het “ferneis” werd goed uitgekuist en gevuld met gemalen vet dat moest gesmolten worden. Dit was een delicaat werk. Het mocht zeker niet aanbranden. Het gesmolten vet moest na stolling sneeuwwit zijn. De te malen stukken vlees werden op de tafel gespreid en gekruid. En nu was het ogenblik voor ons gekomen. Met het ene oog naar de molen gericht en het ander naar wat er uit die molen kwam. Het vlees in de molen steken, dat mochten wij niet, dat was te gevaarlijk, maar aan die molen draaien en sleuren dat kon geen kwaad, daar zouden wij beter van slapen zei de slachter. Hoeveel keer ons vader en moeder heeft moeten zeggen “tis nu al genoeg of ge worter ziek van” weet ik niet meer maar de gevolgen hebben wij wel enkele dagen gevoeld. Een overlaste maag en geen goesting meer in eten, zonder over het naar de wc te moeten gaan nog te spreken. Maar ja dat hadden wij er wel voor over. |
|
|
Het vet dat stond te smelten moest goed in het oog gehouden worden. Wij waren van die onregelmatige stokers en durfden het vuur soms te ver laten uitgaan of veel te hard doen branden, dat had geen goede gevolgen voor het vetsmelten. “Tzal wel goe zijn geef nen keer dienen zinken emmer zodat wij tvet der kunnen indoen” zei de slachter. Over de emmer werd een zeef gehangen met daarin een keukenhanddoek van de “drie molenkens”. Met een pollepel werd het gloeiend vet over die doek gegoten. De stukjes die nog in het vet zaten en in de handdoek bleven noemde men “kaaikens” die moesten gedeeltelijk dienen om in de bloedworsten te doen. Een ander deel deed men bij het wit smout om smout met “kaaikens” te maken. Een ander deel van die “kaaikens”kon men bakken en op de boterham te doen. Wat nog overbleef belandde op de mesthoop. Dat gloeiend vet was een gevaarlijk iets voor ons, daar kon men zich duchtig aan verbranden, met ongekende gevolgen. Een veilige plaats voor deze emmer vloeibaar vet was dan ook aangeraden. |
|
|
Deze site is tot stand gekomen door de samenwerking van de gemeente Moerbeke, RealTrix en Heemkundige Kring Moerbeke, . Verantwoordelijke uitgever: Heemkundige Kring |
De beheerder |
|
|
Tip: |