www.heemkunde.moerbeke.be
BEELDEKENS UIT ONZE KINDERJAREN

VAN POTEN EN OREN

Terwijl ons vader nog wat vlees van den “epsenkneut” trachtte te “figgelen” zei hij tegen moeder “ ’t wordt tijd dan we gaan slachten, dienen kneut is goe veur ertesoepe van te koken”. Dit betekende dat ons gebrast varken ten dode was opgeschreven ten behoeve van ons allen. “Ge moet (ver)Plancke nog vragen wanneer hij kan komen om te slachten terwijl dak geen prutsen heb” zei ons moeder. “Nie te lange wachten want der zullen der nog opgeschreven staan”. Dit betekende dat ons vader nog die week naar den Bovenhoek moest rijden om te vragen wanneer Maurice Plancke tijd zou hebben om een varken dood en uit de kant te doen. Van die prutsen daar kenden wij niets van. Ons moeder zei soms “maakt dadde weg zijt prutsen”. Dat was dan op ons bedoeld, toen dachten wij dat wij er voor iets tussen zaten als er niet kon geslacht worden. Later hebben wij de combinatie gevonden van het woord prutsen en maandstonden.

Klik op de foto

Familie van thuisslachters v.l.n.r. Isidoor Aper, Maria Aper, Albert Aper en Augusta De Schepper.

Ja, dat vlees van bij de slager in de straat was niet te vergelijken met het vlees van een zelf gebrast varken. De smaak en de kostprijs waren doorslaggevend om al dat werk te doen om een varken vet te mesten. “ ‘k Zal vragen om tussen Kerstdag en Nieuwjaar te slachten dan moet ik geen verlet nemen op mijn werk” zei ons vader. Zo konden wij ook van die moordpartij genieten !! In de loop van de volgende dagen werden de laatste “ribbekens” uit de pekelbak gehaald en te zoeten gezet om er soep van te koken. De pekel werd in een emmer geschept en zou dienen om de sneeuw in de komende winterdagen te doen smelten. De grote verzinkte ketel samen met enkele ijzeren waskuipen werden geschrobd kwestie van niet alles op het laatste moment te moeten doen. Het werk wat verdelen was de boodschap. Verschillende kommen en teilen werden uit de kelder gehaald samen met de kapbak om de kop in te doen. Al die werkzaamheden werden door ons allen gevolgd, want nieuwsgierig, dat waren wij. Het laatste smout werd uit de zinken emmer geschraapt en kon nog dienen om bonen klaar te maken.

Slachten zonder slachtbewijs dat was niet te riskeren. Den champetter van Wachtebeke wist maar al te goed dat in die tijd van het jaar menig varken gekeeld werd en plichtsbewust - of tuk op een borrel, wie zal het zeggen - trachtte hij toch aanwezig te zijn op zo een slachting. Ons verwachtingen waren hoog. Bloed zien vloeien, met vuur spelen, een varken opensnijden, het fornuis afstoken, aan de vleesmolen draaien en zeker proeven van alles wat eetbaar was. Het water liep ons al uit de mond.

Vers stro, den varkensbak, peper en zout samen met droog hout om het fornuis aan te steken en branden waren de laatste werkzaamheden voor de fatale dag van het varken. Voor ons duurde het te lang maar ons wachten werd beloond. Tussen Kerst en Nieuwjaar - den dag zelf weet ik niet meer precies - draaide Maurice Planke met de fiets en daarop het slachtersalaam ’t hof op. Het was nog donker, toch waren wij al op en liepen menig keer in de weg. “’t Verken zit toch nie brumstig zeker anders begin ik er nie aan” zei Maurice tegen ons vader. Ons vader stelde de slachter gerust, het was niet de eerste keer dat er bij ons een varken aan de kant werd gedaan. “Brumstig” is de verbastering van bronstig of de vruchtbare periode bij dieren. Ons vader had zelfs nog tijdens den oorlog in den bak gezeten om een varken vet te mesten en niet aan te geven.



Maurice zette zich in tenue om als een vakman in het huisslachten van varkens zijn taak naar behoren uit te voeren. Een paar botten aan met een blauwe overal en een ceintuur waaraan de nodige attributen hingen om zijn wapens in op te bergen. “Wij zullen ne keer kijken waar dat ’t verken zit se” en Maurice begaf zich naar het verkenskot. “Ja ’t is nen gezonden van bij de honderveertig kilo en nie te vet, ge kunt wel zien dat hij veel melk gat he” zei hij tegen ons vader. Ondertussen was de slachter in het kot gestapt en werd de “verkensbak” voor de open deur geschoven. En wij maar kijken hoe alles in zijn werk zou gaan. Het varken was niet gewillig om zich naar de slachtbank te laten voeren, er kwam menig stuurwerk aan te pas om ons slachtoffer toch in de verkensbak te krijgen. Eén trok aan de oren en één wrong aan zijn staart terwijl hij wat werd opgetild, ‘t was nodig. Steunend op zijn voorpoten moest het zich wel gewonnen geven en de bak in stappen. Dit alles gebeurde onder het uitstoten van varkens geluiden die door merg en been gingen. De bak werd op de baskuul gezet en nauwgezet gewogen. “Get heb hem toch geen eten meer gegeven sinds gisteren” zei de slachter. Al die plichtplegingen moesten bij ons thuis niet meer aangeleerd worden. Daar zat ons varken nu klaar om gekeeld te worden. Ik geloof dat die beesten dat toch gewaar worden want hij deed niet normaal. Hij voelde waarschijnlijk het einde naderen. Maar wij, wij zagen reeds al het goede eten dat de komende maanden onze honger zou trachten te stillen.

“Honderdachtendertig kilo min een toegift van drie kilo is honderd vijfendertig kilo”zei ons vader. Men was tevreden met het resultaat van maanden lang bras maken en voederen van het varken. Er werd gekeken hoe de wind zat en een goede plaats uitgekozen om het varken te kelen en te branden. Het stro werd opgeschud en de moordwapens werden binnen handbereik klaargelegd. Een stenen kom en een emmer om het bloed in te doen werden bij de hand gezet kwestie van geen ogenblik de concentratie te verliezen. Er werden twee touwen aan de poten van het varken vastgemaakt. Één aan de voorpoot en één aan de achterpoot. Wij moesten daaraan trekken terwijl ons vader de voorpoot zou moeten klem zetten. Ook aan de muil werd een koord gedaan om te beletten dat het varken naar de slachter zou bijten. Ook daar moest iemand de plicht op zich nemen om aan dat touw te trekken. Deskundig werd het varken achterwaarts uit de “verkensbak” gedreven door aan de koorden te trekken. Ons vader en de slachter begeleidden het varken naar de slachtplaats en hoep, daar werden de poten vanonder het varken weggetrokken en het lag op zijn zij. Nu moest het snel gaan. Wij trekken, ons vader de muil van het varken snoeren, en dit terwijl de slachter het slagpistool op de kop van het varken zette en afvuurde. Het was angstig om zien, het varken spartelde langs alle kanten tegen, maar zat voor het grootste gedeelte klem door de koorden en al het trekwerk.

Nu stak de slachter een groot mes in de hals van het varken op zoek naar de slagader. Hoe hij die slagader vond, weten we niet omdat wij dat nooit goed onder ogen kunnen zien. Toch, opeens spuwde uit de steekwonde bloed. De kom werd aan de wonde gezet en het bloed werd opgevangen. Vervolgens werd de kom geledigd in een klaarstaande emmer. De bloeduitstulping werd bevorderd door ons vader met een pompende beweging van de voorpoot. Ondertussen ving de slachter het bloed op en roerde hij met zijn andere hand in de emmer met bloed teneinde de stolling wat te remmen De klonters bloed,die zich toch in de emmer bloed bevonden werden er uit gesmeten ten behoeve van onze kat die zulke taferelen reeds gewoon was en van die slachtpartij ook niet weg te slaan . Wat zenuwtrekken en een dodenrochel waren de laatste stuiptrekkingen van ons varken.

“Waar is den beschuut” zei de slachter tegen ons moeder. “Smijt er maar nen pak of twee in en zet het in de kelder veur als we bloeworsten moeten maken”. Zo werd het eerste eetbaar product van ons varken in huis gebracht. De slachter deed zijn moordwapen aan de kant en schudde met een riek het stro wat op en kuiste de bloedplek aan de steekwonde af met stro. Het varken werd op zijn poten gezet zodat zijn buik op de grond steunde. Nogmaals werd het stro opgeschud en nu kon het vuur maken beginnen. De vuurgensters sloegen een lichtspektakel in de donkere ochtend en zo werd ons varken , beginnende aan de kop , door het vuur ontdaan van zijn “verkenshaar”. Vervolgens werd het beest op zijn zijde gelegd en werd en de buik en alle verdoken en behaarde plaatsen ontdaan van zijn stekelhaar. Ik hoorde mijn moeder in die tijd nog zeggen tegen mij “get juust verkenshaar” dit betekende dat mijn haar wit was en recht stond. Gelukkig hebben zij nooit mijn haar gesneden met vuur. Het laatste stro werd samengerakeld en diende om de laatste restjes van het haar af te branden.

Klik op de foto

het afbranden met stro

Daar lag ons varken op zijn zijde. Met een straatvager werden de verschroeide haren en de brandresten afgeborsteld en kon het fijne werk beginnen. Het was tegen het vriespunt en wat te koud om met regenwater het varken af te gieten om het te schrapen. Ondertussen hadden wij reeds op het “ferneis”een ketel water opgewarmd om de grootste kilte uit het water te halen dat moest dienen om het varken af te gieten. De zon begon op te komen terwijl wij daar stonden met een kleine steelpan in de hand gevuld met lauw water. “Ge moet gieten waar mijn handen zijn” zei de slachter terwijl hij met zwierige bewegingen van een groot mes het vel van het varken schoon schrobde. De koude deed ons wat rillen maar het varkenslijf gaf nog wat warmte af en ook de geur van dit spektakel deed ons genieten van dat alles. Nadat de ene zijde was geschrobd werd het varken, met de geschrobde zijde naar onder, op een ladder gelegd, zo kon men de andere kant schrobben. Als laatste werd het varken op zijn rug gelegd met de poten omhoog.

Klik op de foto

schrobben en wassen.

“Kijk nu ga ik hem zijn schoenen uitdoen” zei de slachter terwijl hij een wrong gaf aan de hoeven van het varken. En werkelijk er kwam een soort vel van die poten en zijn tenen waren wit. “Goe gieten terwijl ik aan de poten an ’t schrepen ben ze moeten dienen voor in den utsenpot” was het volgende commando van de slachter. Zeker doen klonk het in onze gedachten want met zo een groot mes zou hij ook wel eens onze oren kunnen afsnijden, dachten wij, terwijl hij de oren van het varken aan het opkuisen was. “Moede zijnen snoet nie hebben” zei hij terwijl hij een dun schelleken afsneed van de verbrande snuit van het varken. Ons beest zag er heel wat properder uit. Zo schoon hadden wij ons varken nog nooit gezien.

Klik op de foto

klaar om opgehangen te worden

Nu werden de achillespezen van de achterpoten zichtbaar gemaakt om daarachter een stok te kunnen steken waaraan het varken werd opgehangen aan de ladder. De buik werd gedeeltelijk aan de achterzijde open gesneden. Zo kon men de achterhespen beter aandrukken tegen de stok en de ladder om zo vast te maken. Het gat van het varken, langs waar de stront kwam, werd losgesneden en gedeeltelijk buiten de buik gehangen. Een vieze bedoening als ge het mij vraagt, maar ja zo hoorde het eenmaal. Nu was men klaar om de ladder recht te zetten. Mijn vader en de slachter zetten de ladder recht. Vervolgens nam de slachter de ladder op de rug en sleepte het varken met ladder en al tot tegen de muur van de stal. Daar hing het lang uitgestrekt en dampend in de ochtendzon. En wij maar in de weg lopen, maar ja als wij er niet bij zouden geweest zijn dan zou er zeker niet kunnen geslacht worden, dachten wij.

Nu begon het tweede snijwerk aan het varken. Met een groot mes sneed de slachter de buik van het varken open en wat daar in zat noemden wij “de trotters”. In schone woorden waren dat de ingewanden. Het scheen dat er in onzen buik hetzelfde zat maar in een kleiner volume. Er werd een tafel bijgehaald en daar werden de “trotters” opgesmeten om gekuist te worden. Het vet werd tussen de darmen uitgehaald alsook een soort net dat moest dienen om op de paté te leggen voor het bakken. “Geef ne keer nen emmer om de snaren in te doen” zei de slachter terwijl hij er mee in zijn handen stond. Die moesten dienen om worsten te maken. Niets mocht verloren gaan. Toch werden de darmen niet gekuist en opgegeten door ons, die waren bestemd voor één van de buren. Het schijnt dat zij teveel stonken terwijl men ze klaar maakte. “Hier moede genen voetbal hen “ en Maurice smeet de waterblaas al in onze richting. Dat voelde toch wat vies aan. Verschillende onderdelen van de ingewanden werden in een kuip met water gesmeten om te spoelen want zij moesten er voor zorgen dat de “hoofflakke” een goede smaak zou krijgen. De lever, ontdaan van zijn galwegen, legde men in een schotel om in de kelder te zetten. Ons moeder vroeg reeds een stuk van die lever om klaar te maken als middagmaal. Verser kon het niet zijn.

De bloedresten en bloedklonters drupten nog uit de varkenskop terwijl de slachter de kop in twee spleet met een grote bijl. Een vies spektakel, maar ja dat hoorde erbij. De nieren en nog wat andere, voor ons vreemde en aardige stukken vlees, werden uit het binnenlijf van het varken gesneden. Onder die, voor ons, onbekende stukken was den “pezerik”. Zo iets gelijk een dikke koorde met daaraan een stuk vet. “Moede da nie hebben ’t is veur de zaag mee in te smeren dat ze nie roest of moek ze aan den haak in de muur knopen veur de mezen dezen winter” ondertussen had de slachter dat vettig geval reeds aan een den groten haak, waaraan de wasdraad was vastgemaakt, geknoopt ten behoeven van de vogels tijdens deze winter. Nu werd andermaal de grote bijl bovengehaald om het varken in twee te kappen. Met een precisie, de slachter eigen, kapte hij het varken juist in de rug in twee stukken.

Klik op de foto

varken op ladder gebonden

“Geef ne keer een tasse dat ik er het verkensverstand kan in doen” riep de slachter tegen ons moeder. Met zijn vingers haalde hij de hersenen uit de gespleten kop en trok hij het ruggenmerg uit de open gekapte rug.. “Alst er zijn die nie goe leren geeft ulder maar dat verstand, ’t zal wel beteren” riep hij nog naar ons. Toch dat verstand van het varken was een delicatesse voor ons moeder, dat wisten wij al van vroegere huisslachtingen. Met water werden de laatste zichtbare bloedklonters uit de opengekapte kop weggespoeld vooraleer de slachter met een groot mes de kop van het varkenslijf sneed. “Moede soms geen oren hebben” vroeg de slachter aan ons, “uw moeder zegt dadde soms nie goe luistert”. Ondertussen sneed hij de varkensoren van de halve koppen en smeet ze in de kuip met water waar reeds de andere onderdelen van het varken lagen. In de kop werden verschillende inkervingen gemaakt en zo ging die ook de kuip met water in. “Kom spoel den kop maar goe af, ge moeter nie schaai van zijn, hij zal nie meer bijten” waren de volgende commando’s van de slachter naar ons toe. “Als ze goed gespoeld zijn smijt dan moar al die stukken in de ketel op het ferneis zodat hij zochte kan worden, moar laat hem nie aanbranden of ik zitte achter hulder”. Hiermede was een punt gezet achter de eerste werkzaamheden bij het slachten van ons varken.



“Moeder geef ons nu moar nen druppel” riep ons vader terwijl moeder reeds in aantocht was met de fles jenever. Die gewoonte was van levensbelang voor de verdere afhandelingen van de slachtpartij. Wij konden toezien, dat vuurwater was niet voor ons bestemd. Het vuur brandende houden en niets laten aanbranden dat was de taak die wij gretig aannamen. Hoe kon het anders, buiten was het tamelijk fris en in de stal was het vochtig warm. Nu wij met vuur mochten spelen, wat zou men nog meer wensen. Op dat moment was er een stille periode tijdens die slachting. De kop moest eerst gaar zijn en het vlees dat aan de ladder hing moest koelen om gemakkelijk te versnijden. “Hedde nie een planksken en nen emmer water om de snaren te kuisen” vroeg de slachter. Hij ging de “trotters” kuisen om snaren te hebben om worsten te maken. Een vuile bezigheid als ge het mij vraagt, de “varkensstront” moest uit de darmen gedaan worden en vervolgens moesten deze darmen uitgespoeld worden. Alles werd in gereedheid gebracht voor de verdere geplogenheden die zo een huisslachting met zich medebracht. Een andere soort messen werd uit de mand gehaald, een kapplank op de tafel gelegd en de vleesmolen werd op de tafel vastgezet. Peper en zout, de gekuiste ajuinen, de nodige handdoeken, een visspaan en een pollepel, muskaatnoot waren de benodigdheden voor de volgende stap in het slachten. Een kuip of twee om de afval in te doen en het vet in te smijten dat moest gesmolten worden zette men onder de tafel.

Het was al tegen de middag toen ons moeder riep dat het eten klaar was. Er mocht niet veel tijd verloren gaan en samen met de slachter zette wij ons aan tafel. Gestoofde lever en varkensnierkens, dat was de delicatesse die wij voorgeschoteld kregen. Dat was nu eens vers vlees, een paar uur daarvoor was er nog leven in geweest. Nu mocht er wel gepraat worden aan tafel. Men kon toch niet verhinderen dat de slachter zijn woordje deed want het schijnt dat hij thuis ook niet veel te zeggen had. Hij kon toch niet altijd zwijgen want hij was ook nog een gevaarlijk man, vraag het maar eens aan ons varken dat kon er niet meer van meespreken.

“Ke zal ne keer goan voelen of da de kop al zocht is se” zei de slachter en stapte naar de stal waar het één vochtige en warme bedoening was. Alles werd zocht bevonden, ook het klein stukje lever dat hij er op het laatst had bij gehangen en dat zou opgegeten worden bij de boterham. Dit stukje werd direct in een emmer koud water gesmeten om mooi te zijn en niet uit te drogen. Met een visspaan werd de gekookte kop in een kleine kuip geschept. “Moede nie wat nieuwe tanden hebben “ zei de slachter tegen ons . Die had opgemerkt dat er enkele van ons “petjen schaartand”waren door het uitvallen van onze melktanden. Ondertussen haalde hij de kaakbenen met tanden uit de gekookte kop. Ook de ogen werden uit de karkassen gehaald en weggesmeten voor de katten. “Moeder hoeveel keelstuk moede gij hebben anders steek ik het allemaal in de hoofflakke” riep de slachter. Ondertussen kwam ons moeder aan mee een grote diepe “tellore”. “Legt er moar een stuk op maar nie teveel vet bij en ook de verkenstong” zei ons moeder. Dat was iets dat wij allemaal lustten. Doch op het volgende waren wij niet zo tuk toen de slachter vroeg “ hoeveel vetsoppe wilde gij hebben, bring mij moar een grote kastrolle”. Het vlees voor de “hoofsflakke” werd in de kapbak gelegd en met een speciaal kapmes fijn gekapt. De kraakbenen van de oren werden ook naar de afval verwezen. Peper, zout en muskaatnoot mochten die boel op smaak brengen en wij mochten voor de eerste maal proeven. Smaken deed het zeker; later zouden wij dat bekopen met een overlaste maag maar op zulke ogenblikken denkt men daar niet aan. De klaargezette vlaaienkommen werden gevuld en naar de kelder gedragen. De tweede buit was binnen. Nu kon het echte snijwerk beginnen.

Deskundig werden de voorhespen van het varkenslijf gesneden, opgekuist en vormgegeven door de slachter. “ Tis nie te vet, ge kunt al zien aan de veurepse” zei de slachter. Eén van die hespen werd in stukken gesneden om later gebakken te worden en te steriliseren. De snijlingen deponeerde men in een emmer om worsten van te maken. Het grootste gedeelte van het vet legde men samen om te smelten tot smout. Al het afgewerkt vlees droeg men in de kelder waar het later op de dag zou gezouten worden of moest wachten om te steriliseren. Nu kwam men aan de buik van het varken. Grote lappen vlees met vet werden op de tafel gesmeten en verwerkt. Eerst haalde de slachter de filet en het stuk waarvan men koteletten moest snijden en kappen er uit. Ook de “ast” die moest gezouten worden werd aan de kant gelegd. De ribben en ook het overtollige vet vond zijn weg naar verschillende emmers. Alleen een paar kleine stukken spek moesten bewaard worden en zouden samen met het buikstuk en de “ribbekens” in de pekel gestoken worden. Weldra hingen nog alleen de twee achterhespen met de “verkenskodde” (staart) aan de ladder. “Snij nen keer die pezen door “ riep de slachter naar ons vader terwijl hij die hesp ondersteunde. De laatste grote stukken vlees smeet men op de tafel om te versnijden. Met al de macht, en dat was niet weinig, duwde de slachter het bloed uit de hoofdader van de hesp. Dit was een secuur werkje, als dat niet goed gebeurde kon de hesp niet bewaard worden en zou zij uiteindelijk rotten. De poten, die open gekapt waren, en de staart die waren speciaal voor ons moeder. Die zouden gezouten worden en moesten dienen om later “Wabeeksen hutsepot” van te koken. De “korteletten en de krammenaaien” vlees kapte men in schone plakken. Deze moesten binnen de vierentwintig uur gedeeltelijk voorgebakken te worden om ’s anderendaags te steriliseren in hun eigen sop.

Klik op de foto

Op de ladder om te kunnen versnijden

Wat nu nog overbleef waren emmers en kuipen met stukken vlees en vet. Nu kwam er werkelijk werk voor ons, draaien aan de vleesmolen. De zwoerden werden van het vet gesneden en bij de afval gedeponeerd. Het was de bedoeling zoveel mogelijk het magere vlees nog van tussen de vetlagen te halen. Dat beetje mager vlees smeet men bij de rest van het vlees waarvan men worsten wilde maken. Wij mochten dus aan de vleesmolen draaien. Eerst het vet want dat moest nog gesmolten worden. Daar viel niet veel aan te proeven, maar wat zou volgen daar konden wij niet afblijven. De ketel op het “ferneis” werd goed uitgekuist en gevuld met gemalen vet dat moest gesmolten worden. Dit was een delicaat werk. Het mocht zeker niet aanbranden. Het gesmolten vet moest na stolling sneeuwwit zijn. De te malen stukken vlees werden op de tafel gespreid en gekruid. En nu was het ogenblik voor ons gekomen. Met het ene oog naar de molen gericht en het ander naar wat er uit die molen kwam. Het vlees in de molen steken, dat mochten wij niet, dat was te gevaarlijk, maar aan die molen draaien en sleuren dat kon geen kwaad, daar zouden wij beter van slapen zei de slachter. Hoeveel keer ons vader en moeder heeft moeten zeggen “tis nu al genoeg of ge worter ziek van” weet ik niet meer maar de gevolgen hebben wij wel enkele dagen gevoeld. Een overlaste maag en geen goesting meer in eten, zonder over het naar de wc te moeten gaan nog te spreken. Maar ja dat hadden wij er wel voor over.
Een gedeelte van het vlees werd grof gemalen, een ander gedeelte moest tweemaal door de molen gedraaid worden. Het grof gemalen vlees vulde men in de snaren voor droge worsten en het ander vlees was voor bakworsten. Dat vlees in de gekuiste snaren draaien was niet zo moeilijk. De overschotjes uit die molen bleven dan ook letterlijk en figuurlijk aan onze vingers plakken. Nu nog de rest van de lever door de molen draaien om boerenpaté te maken. Die, in ons ogen vieze brij, zou beter smaken dan dat hij er uit zag. Dat netje, dat de slachter van tussen de darmen had gehaald, moest over de gevulde kom boerenpaté gespannen worden vooraleer de kom in de bakoven ging.

Klik op de foto

bruikbaar en onbruikbaar scheiden

Het vet dat stond te smelten moest goed in het oog gehouden worden. Wij waren van die onregelmatige stokers en durfden het vuur soms te ver laten uitgaan of veel te hard doen branden, dat had geen goede gevolgen voor het vetsmelten. “Tzal wel goe zijn geef nen keer dienen zinken emmer zodat wij tvet der kunnen indoen” zei de slachter. Over de emmer werd een zeef gehangen met daarin een keukenhanddoek van de “drie molenkens”. Met een pollepel werd het gloeiend vet over die doek gegoten. De stukjes die nog in het vet zaten en in de handdoek bleven noemde men “kaaikens” die moesten gedeeltelijk dienen om in de bloedworsten te doen. Een ander deel deed men bij het wit smout om smout met “kaaikens” te maken. Een ander deel van die “kaaikens”kon men bakken en op de boterham te doen. Wat nog overbleef belandde op de mesthoop. Dat gloeiend vet was een gevaarlijk iets voor ons, daar kon men zich duchtig aan verbranden, met ongekende gevolgen. Een veilige plaats voor deze emmer vloeibaar vet was dan ook aangeraden.

De gekuiste ketel op het”ferneis” gevuld met water, zou dienen om bloedworsten in te koken. Eén van de laatste stappen in het slachten en verwerken van een varken kon ingezet worden. Bloedworsten maken, een vuile en vieze bedoening maar zij waren een lekkernij voor zij die ze aten. Kruiden , gesneden ajuin, wat gemalen vet en een klein beetje “kaaikens” werden in de emmer met bloed vermengd tot een dikke vieze brij. Vervolgens, bij middel van een trechter, vulde men de snaren die men in de voormiddag had gekuist en gespoeld. Zij bevonden zich nu nog in zout water. Deskundig werden de gevulde snaren in gelijkvormige eindjes gevlochten om daarna te verdwijnen in het kokende water op het “ferneis”. Nu mocht het water niet meer koken want dan zouden de bloedworsten openspringen. Terwijl deze laatste bewerking toch enkele tijd zou duren ging de slachter naar de kelder om al het vlees dat moest gezouten worden in de “pekelbak” te steken. Dit gebeurde in omgekeerde volgorde van de tijd dat het vlees in de pekel moest zitten. De ast moest er eerst uit en dus er laatst in. Die volgorde was goed bekend bij de slachter en vergde dus geen moeilijkheden.

Het laatste product dat ons varken aan het leveren was waren de bloedworsten. Met enkele prikken met de stopnaald in de warme worsten wist de slachter of zij klaar waren of niet. Met een stok werden zij uit het hete water gehaald en op de tafel gelegd voor afkoeling. Het was reeds tegen de avond en de frisse winterlucht zorgde ervoor dat dit voorspoedig kon verlopen. Wat nu nog restte voor vandaag was een grote afwas en het ophangen van de te drogen worsten. Dat ophangen van die worsten was ook nog een probleem, wij konden er niet afblijven. Over die worsten hing men een bruin papier om ze niet al te snel te laten uitdrogen bij de warmte van de “Leuvense stoof”. Het gevolg was dat men niet altijd zag hoeveel van die worsten er nog onder dat bruin papier hingen. Het waren er altijd minder dan men dacht.

Nog twee dagen vlees voorgebakken en steriliseren om toch niet altijd gezouten vlees te moeten eten was toen de boodschap. Later is er een diepvries aangeschaft zodat men het werk van steriliseren in grote kon verminderen.

Bij de afwas van al het alaam van de slachter waren wij zo ver mogelijk weg. Men zou soms gevraagd hebben om mee te helpen. Wij hadden toch al zoveel gewerkt die dag dat wij het werkelijk niet meer zagen zitten. Of was het dat aardig gevoel in onze maag na de overvloedige vleesmaaltijd. Ik weet zeker dat wij die nacht moeilijk in slaap zijn geraakt. De volgende dagen was er tijdens het eten een overvloed van toespijs geleverd door het varken. In de ijskast en de kelder kon men niet alles eeuwig bewaren zodat wij wel verplicht waren om meer vlees te eten dan we gewoon waren.

De huisslachtingen zijn een beeld dat in deze tijd van het toneel verdwijnt. Vooreerst zijn er geen goed gebraste varkens meer en ook de wetgeving stuurt alles in de richting van een slachthuis. Toch krijg ik nu nog het water in de mond van de goesting naar dat gezond varkensvlees terwijl ik deze woorden schrijf.

Klik op de foto

de darmen voor de worsten wassen


Auteur: Paul Hesters

Copyright © 1999 - 2011 by Ivan Goossens

Deze site is tot stand gekomen door de samenwerking van de gemeente Moerbeke, RealTrix en Heemkundige Kring Moerbeke, .

Verantwoordelijke uitgever: Heemkundige Kring

De beheerder
van deze site kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele
fouten die in deze site zijn geslopen. Gelieve fouten te emailen naar de
beheerder.
De foutieve informatie zal dan gecheckt en indien nodig aangepast
worden.

Deze site werkt het best op een
schermresolutie van minimaal 800x600.
Schrijf
naar
E-mailHeemkundige Kring

Tip:
Druk de -toets om deze site te spreiden over uw volledig beeldscherm, druk nogmaals op de -toets om terug te schakelen naar de oorspronkelijke instellingen.(Vanaf Microsoft Explorer versie 5.0).


Verantwoordelijke voor deze pagina: Ivan Goossens
Laatste aanpassing: zaterdag, 22 januari 2005
Statistiek
Dynamic website by RealTrix bvba